|
Overlegcentrum van Vlaamse VerenigingenThuispagina - Persmededelingen - Leden - Statuten - Historiek - Logo |
De Vlaamse beweging en de resoluties inzake staatshervorming van het Vlaams parlementOVV-standpunt over de resoluties van het Vlaams ParlementPublicatie: 15 maart 19991. Het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen, dat een zestigtal Vlaamse verenigingen van uiteenlopende strekkingen overkoepelt, met in totaal meer dan 750.000 leden, heeft kennis genomen van de door het Vlaams Parlement met ruime meerderheid goedgekeurde resoluties betreffende de krachtlijnen van Vlaanderen inzake de volgende staatshervorming. Als spreekbuis van de moderne en democratische Vlaamse emancipatiebeweging is het zijn plicht hierover ook standpunt in te nemen. Het OVV heeft dan ook de resoluties onderzocht en kwam tot de volgende bevindingen. 2. Zoals het Vlaams Parlement meent ook het OVV dat de hervorming van de staat geen doel is op zichzelf, maar een middel om een meer kwaliteitsvol en efficiënt bestuur en een betere democratische besluitvorming tot stand te brengen. Zoals het Vlaams Parlement meent ook het OVV dat daarbij moet worden uitgegaan van het subsidiariteitsbeginsel, d.w.z. dat bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend en verantwoordelijkheden gedragen op het laagste niveau waarop zij zinvol kunnen worden uitgeoefend. I. Overwegend gedeelte en algemene uitgangspunten en doelstellingen van de resoluties.3. Het Vlaams parlement wil volgens deze resoluties "een meer doorzichtige en eenvoudige federale staatsstructuur", die uitgaat van vier "deelgebieden", waarvan twee "deelstaten" met een ruimere autonomie, nl. Vlaanderen en de franstalige deelstaat, en daarnaast twee andere deelgebieden, nl. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap. Het Vlaams Parlement gaat dus niet verder dan enkel maar een "verfijning" van de huidige zogenaamd federale staatsstructuur. Het gaat wel in zekere mate in tegen het Brussels separatisme, d.i. de tendens om Brussel tot een volwaardige deelstaat uit te bouwen, en lijkt daartoe te Brussel het onderscheid tussen gemeenschapsbevoegdheden en gewestbevoegdheden te willen behouden (dit kan men althans afleiden uit de stelling: "In het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad sluit de bevoegdheid van de ene overheid in de regel de bevoegdheid van de andere uit").4. Het OVV vindt het zonder twijfel positief en realistisch dat wordt uitgegaan van de twee grote "entiteiten" Vlaanderen en Wallonië - met daarenboven ook aandacht voor de autonomie van de Duitse Gemeenschap -, aangezien zij zich in de feiten tot aparte naties hebben ontwikkeld. Het is al even positief dat wordt benadrukt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nooit dezelfde autonomie kan hebben als deze twee "naties". Het heeft wel bedenkingen bij het gebruik van de term "franstalige deelstaat" en meent dat het veel duidelijker is te spreken van Vlaanderen en Wallonië (zie verder randnr. 15). Ernstige vragen heeft het OVV daarentegen bij het krampachtig behoud van een (weliswaar afgeslankte) zogenaamd federale staatsstructuur, d.i. in essentie een structuur waarin Vlaanderen de inmenging van franstalig België moet blijven ondergaan en omgekeerd. Wanneer men - terecht - uitgaat van de "tweeledigheid", dient men ook te durven zeggen dat in dat (tweeledig) kader blijkbaar geen voldoende mate van gemeenschappelijkheid meer bestaat om een federale structuur op een normale democratische wijze te laten werken, zodat het behoud van die zogenaamd federale structuur de ene deelstaat blootstelt aan voortdurende chantage door de andere. 5. Niet enkel de residuaire bevoegdheid dient dus toe te komen aan Vlaanderen en Wallonië (zoals nu al in de grondwet staat, maar nog steeds niet is uitgevoerd) (zie uitgangspunt 7 van de eerste resolutie), maar ook de constitutionele bevoegdheid om zijn eigen bevoegdheden te bepalen. Dit moet dus zonder twijfel verdergaan dan het halfslachtige uitgangspunt 8, waarbij slechts de grondwetgevende bevoegdheid tot het regelen van de eigen instellingen (volgens de uitwerking in de resoluties weliswaar met inbegrip van de financiële controle over de eigen instellingen alsook de gemeentelijke en provinciale instellingen) wordt gevraagd. Het volstaat dus ook niet om te vragen dat "de Senaat maximaal op basis van de deelstaten wordt opgebouwd" (uitgangspunt 10): de constitutionele rol van Kamer en Senaat dient te worden overgenomen door het Vlaams en het Waals Parlement. Zij zijn het die dienen te bepalen welke gemeenschappelijke structuur zij daarvoor al dan niet willen opzetten door middel van verdragen tussen Vlaanderen en Wallonië. 6. Terecht stelt de resolutie ook dat "de Europese eenmaking aan belangrijke weerslag heeft op ons staatsbestel". Doch het Vlaams Parlement trekt niet de besluiten die men daaruit moet trekken, namelijk dat door deze achtergrond de belangen van Vlaanderen maar kunnen worden gediend door van Vlaanderen een rechtstreekse partner te maken in de Europese besluitvorming en geen nepstatuut te geven zoals nu (een plaats in het Comité der Regio's zonder enige beslissingsmacht en daarnaast een deelname aan de Europese Raad doch zonder eigen stemrecht). In het kader van de Europese Unie kan de gewenste "doorzichtigheid en eenvoud" van de politieke structuur, "het tot stand brengen van een meer kwaliteitsvol en efficiënt bestuur" (uitgangspunt 1), "een betere democratische besluitvorming" (uitgangspunt 1), het "zo dicht mogelijk bij de bevolking situeren van de bevoegdheden" (uitgangspunt 3), en het "maximaal betrekken in de Europese en internationale besluitvorming" van Vlaanderen (uitgangspunt 9) maar worden bereikt door duidelijk voorop te stellen dat Vlaanderen en Wallonië zelf volwaardige Europese lidstaten moeten worden van de Europese Unie en dat elke staatshervorming erop gericht moet zijn om deze doelstelling zo snel en volledig mogelijk te verwezenlijken. 7. In uitgangspunt 5 stelt de resolutie dat "de solidariteit dient behouden te blijven, op basis van objectieve, duidelijke en doorzichtige mechanismen en omkeerbaarheid. Dergelijk mechanisme mag niet het gevolg hebben dat de ontvangende deelstaat per capita meer overhoudt dan de betalende deelstaat". Dit uitgangspunt impliceert dat de solidariteit over de (deel)staten heen moet worden georganiseerd van gemeenschap tot gemeenschap, en niet mag worden verward met de solidariteit van individu tot individu binnen éénzelfde gemeenschap. Dit is de stelling die het OVV steeds heeft verdedigd, onder meer in haar bekend standpunt "sociale zekerheid: een bevoegdheid van Vlaanderen en Wallonië". Dit ligt ook in de lijn van het subsidiariteitsbeginsel (uitgangspunt 3), dat impliceert dat er meerdere bevoegdheids- en solidariteitsniveau's zijn. Wel is de opvatting over de grenzen aan de solidariteit tussen de (deel)staten erg minimalistisch: zij sluit niet uit dat de inwoners van de ene deelstaat zowel gemiddeld veel meer ontvangen dan die van de andere deelstaat als daar gemiddeld veel minder toe bijdragen (dit is vandaag het geval in de verhouding tussen Vlaanderen en Wallonië). Minstens zou moeten worden bepaald dat één (deel)staat van een andere (deel)staat geen niveau van solidariteit kan verwachten, dat tussen de inwoners van die deelstaat onderling niet eens wordt opgebracht. D.w.z.: indien de inkomenskloof in de ene deelstaat een stuk groter is dan in de andere, zou een transfer naar die eerste betekenen dat het gebrek aan solidariteit door de rijkeren indie eerste mee moet worden betaald door de minderbegoeden in de andere deelstaat. Het OVV meent dan ook dat de specifieke solidariteit tussen Vlaanderen en Wallonië (d.i. bovenop de solidariteit die eventueel op het Europese niveau wordt georganiseerd) dan ook niet meer de vorm kan aannemen van automatische transferten van rijkdom, waardoor de afhankelijkheid van Wallonië enkel maar wordt bestendigd, maar de vorm moet aannemen van structurele hulp van (deel)staat tot (deel)staat, waarvan het doel erin moet bestaan Wallonië terug op eigen benen te leren staan. Meerdere bij het OVV aangesloten verenigingen hebben reeds plannen en denksporen in die richting ontwikkeld (onder meer Het Marshallplan voor Wallonië van Antoon Roosens). 8. Tenslotte heeft het OVV ernstige vragen bij uitgangspunt 6. van de resolutie, dat stelt dat "de samenwerking tussen de overheden verder uitgebouwd en bevorderd dient te worden" en bij het democratisch gehalte daarvan. Nu reeds is er, omwille van de krampachtigheid die vaak gepaard is gegaan met de bevoegdheidsafdrachten, een hele reeks domeinen waarvoor samenwerkingsakkoorden zijn voorzien. De ervaring leert dat deze op meerdere van die domeinen niet of nauwelijks werken. Bovenal ontsnappen zij aan elke inspraak door het Parlement en leiden zij dus tot een toename van ondemocratische besluitvorming, wat in strijd is met uitgangspunt 1. Er is geen bezwaar tegen dat er samenwerking is, maar het is wel wezenlijk dat a) er daarbij een daadwerkelijke parlementaire inspraak en toezicht bestaat, en b) bij gebreke aan overeenkomst Vlaanderen (en evenzo Wallonië) alle bevoegdheden zelf kan uitoefenen (vrijwillige verdragen, geen gedwongen samenwerkingsakkoorden). II. Financiële en fiscale autonomie9.In de resolutie is het Vlaams Parlement "van mening dat de maximale versterking van de fiscale en financiële autonomie een primordiaal te verwezenlijken doelstelling is". Positief is ook dat vervolgens de volledige overdracht wordt gevorderd van de bevoegdheid inzake de personenbelasting, en dat gevorderd wordt dat de fiscale autonomie niet meer kan worden uitgehold door de federale wetgever (nl. doordat een door een deelstaat ingevoerde belasting nu nog kan worden beperkt of afgeschaft door de federale wetgever). Evenwel bepaalt de resolutie ook dat er een voldoende fiscaal draagvlak dient te worden behouden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid. Het OVV daarentegen is van mening dat moet worden voorgesteld om, zoals in sommige andere federale staten (bv. de positie van Baskenland) de belastingsbevoegdheid integraal over te hevelen naar de Gemeenschappen, die daarbij zowel de grondslag als het tarief moeten kunnen bepalen, behoudens voor zover er sprake is van harmonisatie in het kader van de Europese Unie (douanerechten, BTW,...). De (con)federale instellingen dienen een dotatie te krijgen die beantwoordt aan de taken die Vlaanderen en Wallonië vrijwillig aan deze instellingen toevertrouwen. 10. Het OVV heeft ook ernstige vragen bij de ambiguïteit van de resolutie met betrekking tot de fiscale en financiële regeling voor Brussel. De resolutie stelt dat het Vlaams Parlement "de bijzondere financieringsnoden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest onderkent" en dat "om het Hoofdstedelijk Gewest toe te laten zijn hoofdstedelijke functie volwaardig op te nemen, de deelstaten zullen moeten bijdragen tot de financiering van deze functie, waarbij zij zeggenschap en controle moeten hebben op de aanwending van deze middelen". Deze laatste stellingname moet in beginsel worden begroet, maar overigens blijft de resolutie opnieuw zeer ambigu. Deze dotaties aan Brussel moeten voor het OVV in de plaats te komen van de federale dotaties en althans voor Vlaanderen aan daadwerkelijke medezeggenschap gekoppeld zijn. De resolutie blijft verder zeer ambigu omdat een verregaande fiscale autonomie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet wordt uitgesloten, ja integendeel wordt vooropgesteld dat Brussel eveneens volledige bevoegdheid moet krijgen inzake de huidige gewestelijke belastingen (belasting op inverkeerstelling, Eurovignet, registratierechten en schenkingsrechten), en net als Vlaanderen en Wallonië moet kunnen genieten van ristornering van de (federaal geïnde) vennootschapsbelasting. Het OVV wenst te benadrukken dat de fiscale bevoegdheid in beginsel naar de Gemeenschappen moet gaan en de fiscale autonomie van Brussel beperkt moet blijven tot het niveau van de andere steden of provincies, en zeker niet kan worden uitgebreid. Wanneer de fiscale bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zwaarder gaat wegen dan die van de Gemeenschappen aldaar (Vlaanderen enerzijds en de Frans-Brusselse Gemeenschap anderzijds) zal Vlaanderen te Brussel snel elke invloed verliezen en wordt de scheiding tussen Brussel en Vlaanderen voltrokken. In dit scenario zal België binnen de kortste keren verdwijnen, en dan wel op die wijze die voor geen der partijen interessant is: met het verlies van Brussel voor Vlaanderen enerzijds en het wegvallen van elke rechtvaardigingsgrond voor transferten, hulp, bijstand of solidariteit vanuit Vlaanderen voor Wallonië anderzijds. 11. Het is voor het OVV evenmin aanvaardbaar dat gesproken wordt van een gehele of gedeeltelijke toebedeling van de vennootschapsbelasting aan de gewesten, wanneer daarmee ook Brussel wordt bedoeld. Ook mag deze toebedeling niet worden vastgeknoopt aan de maatschappelijke zetel van de vennootschap, maar enkel aan criteria zoals de daadwerkelijke uitbatingszetel of de plaats van tewerkstelling. Dit is overigens ook een oude Waalse eis. 12. De resolutie blijft evenzeer ambigu betreffende de "operationele regeling" voor de fiscale autonomie van de Gemeenschappen te Brussel. Voor het OVV is het duidelijk dat die regeling geen andere kan zijn dan deze voor de gezondheidsverzekering en de gezinsbijslagen (vgl. verder IV.), met name een regeling die uitgaat van de keuze van de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor het ene dan wel het andere stelsel (keuze die dan vanzelfsprekend tegelijkertijd voor de sociale zekerheid en de gemeenschapsfiscaliteit moet gelden, en die weliswaar moet kunnen worden gewijzigd, doch binnen bepaalde grenzen). III. Brussela) Persoonsgebonden materies.13. De resolutie stelt dat "de Brusselse Vlamingen integraal deel uitmaken van de deelstaat Vlaanderen" en dat "de basisverantwoordelijkheid voor het Vlaams beleid te Brussel ligt bij de deelstaat Vlaanderen, waarbij de bevoegdheidsafbakening met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) gebaseerd is op het beginsel van de subsidiariteit". Bij nader toezien heeft deze stelling echter jammer genoeg enkel betrekking op persoonsgebonden materies (voor grondgebonden materies zie onder b). Het OVV beaamt vanzelfsprekend integraal deze stelling en verwerpt categoriek de parochiaal-separatistische reacties van sommige Brusselse Vlamingen, die zich van Vlaanderen willen afkeren en de illusie koesteren dat ze ook zonder band met Vlaanderen in deze materies nog enige invloed op het publieke vlak zullen kunnen bewaren te Brussel, zowel als de onverschilligheid van sommige Vlamingen buiten Brussel voor hun hoofdstad. Het OVV betreurt wel dat deze stelling door de resolutie niet wordt doorgetrokken naar de grondgebonden materies (vgl. verder randnr. 19). Dit sluit natuurlijk niet uit dat er een lokaal bestuur moet zijn voor de Brusselse Vlamingen, dat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel een gelijkaardige autonomie moet hebben als de provinciale en gemeentelijke besturen in het Vlaams gewest. Dit is ook in de resolutie bepaald en dit lokale bestuur behoudt daarin de naam "Vlaamse Gemeenschapscommissie". Er zou moeten worden verduidelijkt dat de besluiten van deze VGC verordeningen zijn die in beginsel dienen te worden gelijkgesteld met provinciale verordeningen en dat het College van deze VGC in beginsel moet worden gelijkgesteld met de bestendige deputatie van de 5 bestaande Vlaamse provincies. Op wetgevend vlak daarentegen zijn de persoonsgebonden aangelegenheden te Brussel een zaak van de Vlaamse Gemeenschap als geheel. 14. Het OVV oordeelt wel dat de resolutie niet voldoende duidelijk is over de positie van de Vlaamse verkozen mandatarissen. Zo bepaalt het voorstel dat "de Brusselse leden van het Vlaams Parlement rechtstreeks verkozen worden", zonder dat hierbij duidelijkheid wordt geschapen over de verhouding (dubbelmandaat) met enerzijds de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en anderzijds de VGC. Overeenkomstig de hierboven genoemde beginselen, waar het OVV zich bij aansluit, moet op dit punt dan ook duidelijk worden gemaakt dat er een scheiding moet komen tussen het wetgevende niveau enerzijds en de VGC anderzijds, als volgt: - enerzijds dient het dubbelmandaat tussen het Vlaams Parlement en de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behouden te blijven, althans zolang dit Gewest over een wetgevende bevoegdheid (onder de vorm van ordonnanties) beschikt (en dit wordt door de resolutie niet in vraag gesteld, wel door het OVV, zie verder); ook is niet duidelijk of het de bedoeling is het aantal in het Vlaams Parlement te verkiezen Brusselse Vlamingen te houden op 6 (wat min of meer evenredig is met de rest van Vlaanderen), dan wel op te trekken tot de hele taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad (op dit ogenblik 10, veel te weinig voor Brussel, waar 25 vereist is, maar vrij veel voor het Vlaams Parlement). Het OVV kiest ervoor dat alle leden van de nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad (zolang die blijft bestaan) als Brusselaars in het Vlaams Parlement zetelen en omgekeerd, zij het wel met een beperking van hun stemkracht in het Vlaams Parlement. - anderzijds dient, in overeenstemming met de hoger genoemde positie van de VGC, het mandaat van raadslid daarin te worden losgekoppeld van dat het Vlaams Parlement en de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en de verkiezing van de raadsleden ervan te geschieden zoals deze van de provincieraadsleden in het Vlaams Gewest, d.i. tegelijk met de gemeenteraadsverkiezingen. Om de lokale inplanting van de VGC te verbeteren, alsook om de vanuit de gemeenten over te hevelen bevoegdheden in persoonsgebonden aangelegenheden uit te oefenen (zie verder), is het wenselijk om het aantal raadsleden te verhogen tot een 25-tal. 15. Anderzijds heeft de resolutie volgens het OVV veel te weinig oog voor de asymmetrie die nu reeds bestaat (St-Kwintensakkoord), en wellicht nog sterker zal worden, in de verhouding tussen de Brusselse Vlamingen en Vlaanderen enerzijds en de franstalige Brusselaars en Wallonië anderzijds. De franstalige Brusselaars hebben nu reeds hun eigen wetgever in persoonsgebonden aangelegenheden. Willen zij daarnaast nog samen met Wallonië gemeenschappelijke instellingen in persoonsgebonden materies ("Franse Gemeenschap") behouden, dan is dat een zaak tussen hen die door middel van overeenkomsten tussen hen kan worden geregeld. Vlaanderen dient daar niet in tussen te komen. Wel moet er ook aan franstalig-Brusselse kant een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen deze wetgevende autonomie van de Frans-Brusselse Gemeenschap in persoonsgebonden aangelegenheden enerzijds, en de franstalige tegenhanger van de VGC, die slechts het niveau heeft van een provinciebestuur, anderzijds. 16. De resolutie oordeelt ook dat de regeling van de bicommunautaire instellingen te Brussel (deze die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, waar nu reeds met dubbele meerderheid wordt beslist; het betreft hoofdzakelijk instellingen in de gezondheids- en welzijnssector) moet worden hervormd om een daadwerkelijke dienstverlening in beide talen en een daadwerkelijk beheer van beide gemeenschappen in elk van hen te verzekeren. Het voorstel gebruikt hiervoor de onduidelijke term "cocommunautair". Het OVV sluit zich vanzelfsprekend bij deze bekommernis aan: voor zover er te Brussel bicommunautaire instellingen blijven bestaan - d.w.z. door beide gemeenschappen worden gefinancierd, moeten zij ook integraal tweetalig zijn, zowel in hoofde van elke individuele dienstverlener als in hoofde van de beheersorganen. Voor zover het beleid inzake deze instellingen het niveau van een lokaal bestuur te boven gaat, dient het in overeenstemming met het hoger gestelde dan gezamenlijk te worden gevoerd door enerzijds de Vlaamse Gemeenschap als geheel en anderzijds de Frans-Brusselse Gemeenschap. Het OVV is evenwel van oordeel dat hier maximaal dient te worden gestreefd naar unicommunautaire instellingen, d.w.z. instellingen die uitsluitend van de ene dan wel de andere gemeenschap afhangen en erdoor worden gefinancierd. Dit is met name het geval voor ziekenhuizen, bejaardentehuizen e.d. 17. De resolutie stelt verder dat de "bi-culturele instellingen in aanmerking komen voor overdracht aan de twee deelstaten". Er kan worden verduidelijkt dat het hier instellingen betreft die op dit ogenblik nog federaal zijn, en die niet uitsluitend te Brussel zijn gelegen. Het betreft in feite de federale wetenschappelijke en culturele instellingen (bv. De Munt, Plantentuin te meise, enz.). Voor het overige sluit het OVV zich op dit punt aan bij de resolutie, met dien verstande dat de in Vlaanderen gelegen instellingen aan Vlaanderen moeten worden overgedragen en de in Brussel gelegen instellingen aan de twee Gemeenschappen. 18. Tenslotte oordeelt het OVV dat de resterende gemeentelijke bevoegdheden in persoonsgebonden aangelegenheden moeten worden overgedragen aan de VGC c.q. de franstalige tegenhanger daarvan; de resolutie maakt daar zelfs geen gewag van. b) Grondgebonden materies.19. Het Vlaams Parlement wil "een specifiek statuut voor Brussel, dat door Vlamingen en Franstaligen op voet van gelijkheid moet worden bestuurd". Anders dan sommigen hierin meenden te lezen, gaat het hier niet om een confederaal bestuur van Brussel door de twee deelstaten Vlaanderen en Wallonië, maar om tweeledigheid in Brussel zelf. De huidige bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden in beginsel niet in vraag gesteld. Dat gebeurt in beperkte mate wel door de stelling dat de tweeledigheid "onder meer tot gevolg heeft dat de twee deelstaten in hun gezamenlijke hoofdstad volwaardig kunnen participeren in het beleid waarvan het belang het stedelijk niveau overstijgt". Het OVV is van oordeel dat elke stap naar een grotere inspraak van de Vlaamse gemeenschap als geheel in de gewestelijke bevoegdheden te Brussel moet worden toegejuicht. Ook hier heeft het voorstel evenwel te weinig oog voor de reeds genoemde asymmetrie in de verhouding tussen de Brusselse Vlamingen en Vlaanderen enerzijds en de franstalige Brusselaars en Wallonië anderzijds. Totdat de overheveling daarvan naar het Vlaams Parlement haalbaar wordt, dienen de grondgebonden bevoegdheden die het stedelijk niveau overstijgen (voor het lokale niveau, zie randnr. 20 en 21) dan ook te worden beslist door enerzijds het Vlaams Parlement of de afvaardiging daarvan en anderzijds het door de franstaligen Brusselaars gekozen orgaan. Het heeft geen zin de Walen inspraak te Brussel te geven wanneer noch zijzelf noch de franstalige Brusselaars dat wensen. Verder is de resolutie weinig consequent, aangezien het genoemde beginsel in de rest van de tekst nauwelijks wordt doorgetrokken. Een consequent doordenken van genoemd beginsel zou immers betekenen dat de wetgevende bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in grondgebonden materies wordt opgeheven en dat het enkel nog op het provinciale of gemeentelijke niveau is dat Brussel zonder inspraak van de Vlaamse Gemeenschap wordt bestuurd. Het OVV betreurt dat het Vlaams Parlement deze duidelijkheid niet durft te scheppen. In plaats daarvan wordt bv. vaag gesproken over concurrerende bevoegdheden van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (bv. inzake huisvesting en tewerkstelling). 20. Verder stelt de resolutie dat er op alle beleidsniveaus "een gewaarborgde vertegenwoordiging van beide taalgroepen dient te komen" alsmede "waarborgen voor een effectieve en evenwichtige beleidsparticipatie van beide taalgroepen op alle bestuursniveaus". Het OVV is van oordeel dat deze stelling veel te vaag blijft, onder meer doordat er geen cijfers worden gegeven (zolang er een Brusselse Hoofdstedelijke Raad is, moet de Vlaamse vertegenwoordiging daarin minstens 25 in plaats van 10 op 75 bedragen; in het college moet er pariteit zijn), en bovendien te weinig inhoudt, aangezien de participatie niet zozeer op een gewaarborgde vertegenwoordiging moet worden gegrond, maar op het beginsel van de dubbele meerderheid (zoals het nu al geldt in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie). Mag eraan worden herinnerd dat de franstaligen op het federale niveau in steeds meer domeinen paritaire inspraak krijgen, en dat van de in ruil daarvoor principieel toegezegde pariteit in Brussel behalve op een beperkt gebied nooit iets in huis gekomen? Verder moet ook worden verduidelijkt dat het niet enkel gaat om de stemkracht in de Raad, maar evenzeer om een gewaarborgd aandeel (pariteit) van de bevoegdheden en budgetten in de uitvoerende colleges. 21. De inspraak van de Vlamingen in de Brusselse gemeenten is een oud zeer. Ook hier vraagt de resolutie "een gewaarborgde vertegenwoordiging van beide taalgroepen" alsmede "waarborgen voor een effectieve en evenwichtige beleidsparticipatie van beide taalgroepen". Dit leidt aan dezelfde vaagheid als hierboven beschreven. Het OVV is van oordeel dat de lokale bevoegdheden:
- in persoonsgebonden materies integraal moeten worden overgeheveld naar de VGC (zie hoger; dit omvat naast de gemeentelijke bevoegdheden in persoonsgebonden materies) o.m. de taken van de OCMW's); 22. De resolutie stelt ook dat de voogdijregeling voor lokale besturen te Brussel afdwingbaar dient te worden gemaakt. Het OVV is het daarmee eens, doch vindt dit te vaag. Om te beginnen moet het toezicht op alle benoemingen en bevorderingen in overheidsfuncties omgekeerd worden tot een goedkeuringsvoogdij in plaats van een (onwerkbare) afkeuringsvoogdij. 23. Verder pleit de resolutie voor een samenwerkingsakkoord tussen de deelstaten, het deelgebied Brussel en de federale overheid voor het uitbouwen van de hoofdstedelijke en internationale functies van Brussel. Het betrekken van de federale overheid hierbij is evenwel in strijd met het uitgangspunt van de fundamentele tweeledigheid. Het betrekken van Wallonië hierbij is in strijd met de hoger genoemde asymmetrie. Het kan dus maar gaan om een samenwerkingsakkoord tussen Vlaanderen en de Frans-Brusselse Gemeenschap enerzijds, en de lokale Brusselse overheden anderzijds. IV. Coherente bevoegdheidspaketten24. Het Vlaams Parlement "aanziet het tot stand brengen van meer coherente bevoegdheidspaketten als een prioritaire doelstelling van de volgende staatshervorming". Het OVV wenst een aantal bedenkingen te formuleren bij de daarbij besproken bevoegdheidspaketten. 1. Wetgeving inzake lokale besturen.25. De overheveling van de wetgeving inzake lokale (gemeentelijke) en provinciale besturen is - de resolutie herinnert er ons terecht aan - reeds voorzien in het St.-Michielsakkoord. De resolutie blijft evenwel erg vaag over de omvang van dit bevoegdheidspakket. Meer bepaald vraagt het OVV dat dit bevoegdheidspakket uitdrukkelijk alle aspekten van de lokale besturen zou betreffen, waaronder bv. de lokale politie en de gehele gemeente-en provinciekieswetgeving. Wat de politie betreft verwijst het OVV naar het standpunt dat zij daarover in 1998 heeft ingenomen. Het OVV betreurt dat de Vlaamse regering op dit ogenblik een gemeentedecreet voorbereidt dat deze aspecten (lokale politie, gemeentekieswetgeving) uitsluit. De uitwerking van de eigen Vlaamse gemeente- en provinciewetgeving dient voor het OVV vanzelfsprekend ook uit te gaan van het subsidiariteitsbeginsel. 26. De resolutie vraagt ook een specifieke regeling voor de lokale besturen te Brussel, zonder dit te verduidelijken. Het OVV meent dat de organieke wetgeving inzake lokale besturen te Brussel het stedelijke niveau te boven gaat en dat de bevoegdheid daarover niet zomaar aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan toekomen, maar (mede)beslissingsrecht van de Vlaamse Gemeenschap vereist. De inhoud van die wetgeving dient, zoals ook het Vlaams Parlement stelt, te worden aangepast aan de specifieke positie van Brussel. Zoals hoger gezegd dient deze regeling erin te bestaan dat de bevoegdheden in lokale persoonsgebonden materies moeten worden overgeheveld naar de VGC en de bevoegdheden in lokale grondgebonden materies moeten worden uitgeoefend door een lokaal bestuur dat bij dubbele meerderheid beslist. 2. Gezondheids- en gezinsbeleid.27. De resolutie vraagt terecht de integrale overdracht naar de Gemeenschappen van de normerings-, uitvoerings- en financieringsbevoegdheid op dit gebied, inbegrepen de gezondheidsverzekering en de kinderbijslagen. Terecht ook wordt vooropgesteld dat de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de keuze dienen te krijgen tot het ene of het andere stelsel toe te treden. Zoals hoger gesteld, is het OVV van oordeel dat deze keuze tegelijkertijd ook een keuze moet zijn voor het stelsel van personenbelasting van de ene dan wel de andere Gemeenschap, zoals de overgrote meerderheid van de Vlamingen en Franstaligen nu reeds een keuze maakt tussen verschillende ziekenfondsen. Ook is het OVV van oordeel dat de bevoegdheidsoverdracht dient te gebeuren naar de 4 Gemeenschappen, d.i. Vlaanderen, Wallonië, Duitse Gemeenschap en Frans-Brusselse Gemeenschap. Dit sluit natuurlijk niet uit dat er nadien tussen enerzijds de Frans-Brusselse Gemeenschap c.q. de Duitse Gemeenschap en anderzijds Wallonië of Vlaanderen een overeenkomst wordt gesloten. 3. Werkgelegenheidsbeleid.28. Het OVV betreurt dat de resolutie niet opteert voor een integrale overdracht van de bevoegdheid op dit gebied, inbegrepen de werkloosheidsverzekering. De voorstellen in deze resolutie spreken slechts van samenwerkingsakkoorden en een beperkte bevoegdheid inzake sociale akkoorden; zij leiden in het geheel niet naar een homogener bevoegdheidspakket en zijn dus in strijd met de uitgangspunten ervan. Enkel een verregaande overdracht naar de deelstaten kan dit verwezenlijken en de Vlaamse overheid de nodige instrumenten bezorgen voor een tewerkstellingsbeleid. 4. Andere domeinen.29. De resolutie opteert voor een integrale defederalisering van het wetenschaps- en technologiebeleid, de buitenlandse handel, telecommunicatie en spoorwegen, ontwikkelingssamenwerking, landbouw- en visserijbeleid. Vragen heeft het OVV ook hier weer bij de politiek van samenwerkingsakkoorden (vgl. hoger) en bij het feit dat meer bevoegdheden ook aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden toegekend. Op andere domeinen blijft de resolutie een stuk vager en worden de bevoegdheden niet duidelijk genoeg aan Vlaanderen en Wallonië toegewezen - met name wat betreft het beleid inzake mobiliteit en verkeersveiligheid, statistiek en energie. Wat de spoorwegen betreft dienen duidelijke afspraken te worden gemaakt over de verdeling van de schuldenlast. Ook dient Vlaanderen integraal bevoegd te zijn voor het toerismebeleid (inbegrepen verstigingen in het buitenland, promotie en productie). 30. Het OVV mist ook de stellingname dat de bevoegdheden inzake a) de luchthaven van Zaventem en b) het continentaal plat dienen te worden gedefederaliseerd, en dus in casu aan Vlaanderen moeten worden overgedragen. 31. Het mist tenslotte ook een stellingname ten gunste van de overdracht van de grondboekhouding, die tot een homogene administratie van kadaster, registratie en hypotheekkantoor en tot een homogene bevoegdheid inzake grondbeleid en onroerende fiscaliteit moet leiden. 5. Justitie.32. De resolutie schiet manifest tekort op het domein van de justitie. Het Vlaams Parlement vraagt enkel te worden "betrokken" bij de voordrachten van de leden van het Arbitragehof, de raad van State en het Rekenhof, "mee verantwoordelijkheid te dragen voor de benoeming en vorming van magistraten", en opnieuw meer samenwerkingsakkoorden (inzake de handhaving van het deelstatelijk recht). Het OVV herhaalt zijn bedenkingen bij het overdreven gebruik van samenwerkingsakkoorden. Bovenal stelt het dat de organisatie en financiering van en benoemingen in alle rechtscolleges, alsmede de organisatie en financiering van de juridische bijstand, integraal naar de Gemeenschappen moet worden overgedragen. Justitie is bij uitstek een persoonsgebonden materie en het is onbegrijpelijk dat het Vlaams Parlement de defederalisering daarvan niet vooropstelt. Het octopusakkoord wordt misbruikt om de defederalisering van justitie op de lange baan te schuiven en integendeel de Vlaamse meerderheid op het federale vlak steeds verder te fnuiken door steeds meer paritaire structuren (waaraan nooit een pariteit te Brussel beantwoordt!). De ervaring van de jongste jaren heeft geleerd dat ook op het gebied van justitie de opvattingen en voorkeuren van Vlaanderen en Wallonië sterk uiteenlopen. De Vlaamse wetgeving wordt daardoor niet op een behoorlijke manier uitgevoerd en gehandhaafd. Een defederalisering op dit gebied is dan ook een absolute prioriteit. Deze defederalisering impliceert de splitsing van de nog resterende tweetalige rechtscolleges te Brussel. V. Specifieke aandachtspunten.33. De resolutie benadrukt het territorialiteitsbeginsel maar vergeet te vermelden dat dit onder meer een splitsing van het kiesarrondissement Halle-Vilvoorde impliceert, alsook dat Halle-Vilvoorde voor de Senaats- en Europese verkiezingen uitsluitend tot de nederlandstalige kieskring mag behoren. 34. Terecht vraagt de resolutie de integrale overdracht naar Vlaanderen van het toezicht over de (Vlaamse) faciliteitengemeenten. Voor het OVV moet de taalwetgeving in de drie ééntalige taalgebieden (dus met uitzondering van Brussel-19) integraal worden overgedragen aan de Gemeenschappen, met inbegrip van het toezicht over de faciliteitengemeenten. Het lot van de faciliteiten in Vlaanderen en Wallonië kan dan tussen hen op basis van een echte wederkerigheid worden onderhandeld. VI. Algemene besluiten.a) Betreffende de resoluties.35. De resoluties van het Vlaams Parlement zijn voor het OVV een 'minimum minimorum' en dan nog enkel indien voldoende wordt tegemoet gekomen aan de hierboven gemaakte opmerkingen. De resoluties bevatten enkele belangrijke stappen voorwaarts, die zeker moeten worden toegejuicht. Zonder meer positief zijn het benadrukken van de tweeledigheid van België, de versterking van de band tussen Vlaanderen en Brussel, de vooropgestelde overdracht van het integrale gezondheids- en gezinsbeleid en de personenbelasting naar de Gemeenschappen, met een keuzestelsel voor de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en de vooropgestelde overdracht c.q. homogenisering van een aantal relatief belangrijke bevoegdheden. 36. Het OVV heeft bedenkingen bij de beperkingen die de resolutie bij een hele reeks bevoegdheidsoverdrachten aanbrengt (zie bv. inzake lokale besturen, mobiliteit en verkeersveiligheid, e.d.), en het overdreven gebruik van de techniek van samenwerkingsakkoorden. Inzake bevoegdheidsverdeling schiet de resolutie manifest tekort inzake het tewerkstellingsbeleid (werkloosheidsverzekering) en de sociale akkoorden, inzake de resterende takken van de sociale zekerheid (invaliditeit, pensioenen, arbeidsongevallen en beroepsziekten), en inzake justitie. 37. Meer algemeen schiet de resolutie duidelijk tekort inzake de grondwetgevende autonomie van Vlaanderen. De resolutie blijft uitgaan van het bestaan van belangrijke federale bevoegdheden, ondanks het ontbreken van het cultureel-maatschappelijk draagvlak voor een democratische uitoefening daarvan. Vlaanderen krijgt niet de constitutionele bevoegdheid om zijn eigen bevoegdheden te bepalen. De uiteindelijke doelstelling van de staatshervorming kan dan ook geen andere zijn dan Vlaanderen als een zelfstandige Europese lidstaat in te richten. Dit moet niet noodzakelijk in één stap gebeuren, maar op zijn minst moet men het confederale beginsel invoeren, d.w.z. dat het aan elke Gemeenschap toekomt om zelf te beslissen wat ze samen willen doen en wat niet; vrijwillige samenwerking levert veel meer op dan een gedwongen huwelijk. 38. Van een afslanking van de bestaande federale instellingen, die voortdurend pogen om reeds overgedragen bevoegdheden te recupereren, is nauwelijks sprake. De beperking van de (con)federale bevoegdheden moet gepaard gaan met een verregaande afslanking van de instellingen en een grotere transparantie. 39. Wat betreft de inspraak van Vlaanderen in de Europese en internationale besluitvorming is de resolutie uitermate zwak. Het OVV wil voor Vlaanderen en Wallonië een rechtstreekse stem in Europa: laat hen zichzelf vertegenwoordigen en geef hen apart recht van spreken in de Europese instellingen. Het eist ook dat Europa de internationale bevoegdheid van Vlaanderen en Wallonië en de onderling overeengekomen bevoegdheidsverdeling eerbiedigt, en meer eerbied aan de dag legt voor hun culturele identiteit, niet alleen in woorden, maar ook in daden. 40. De regeling voor Brussel is ondanks goede uitgangspunten niet konsekwent maar juist zeer halfslachtig uitgewerkt. Alles laat uitschijnen dat er integendeel een verdere versterking komt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en er opnieuw bijkomend federaal geld (d.i. in overgrote mate Vlaams geld) zal worden gegeven zonder een fundamentele hervorming van de Brusselse instellingen. De resolutie stelt de huidige bevoegdheden van dat hoofdstedelijk gewest niet in vraag en opteert in tegendeel voor een hele reeks bijkomende bevoegdheden voor het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. b) Betreffende de Vlaamse partijen.41. Het OVV stelt vast dat zelfs tegen de al bij al nog ernstig beperkte voorstellen van het Vlaams Parlement de tegenaanval door de unitaristen in de Vlaamse partijen reeds volop is ingezet. Zo is de steun van de grootste Vlaamse partij aan de voorstellen van haar eigen fractie nog steeds bijzonder halfslachtig. De federale "premier" gebruikt het wapen van de kleinen van geest, de mainachting. Men verbergt zich daarbij achter de noodzaak om met de franstaligen een akkoord te bereiken. Hoewel het OVV dit niet ontkent, wijst het er toch op dat dit moet worden genuanceerd. Een van de basisbeginselen van het recht is immers het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, en wanneer de franstaligen dit recht miskennen, zijn zij het die fundamentele rechtsbeginselen schenden. Bovendien moet worden vastgesteld dat zoals steeds de franstalige politici de franstalige belangen dienen en zich helemaal geen zorgen maken over de vraag of de Vlamingen wel akkoord kunnen gaan met hun visie. Tenslotte is géén enkele van de drie andere fundmanetele gebeurtenissen van de politieke geschiedenis van België (nl. de onafhankelijkheidsverklaring en grondwet van 1830-1831, de verkiezingen bij algemeen enklevoudig stemrecht van 1919 en de bevoegdheidsoverdracht aan de Europese instellingen in 1957) gebeurd in overeenstemming met de toe geldende grondwet. De afgeleide constituante is uiteindelijk altijd geweken voor de realiteit van de instituerende macht van de demokratie, namelijk de levende krachten van het volk. 42. De Vlaamse politici moeten dan ook op de eerste plaats kiezen voor het Vlaamse belang en vervolgens de vraag stellen op welke manier de daartoe vereiste staatshervorming kan worden bereikt. Zij die de mond vol hebben van Vlaamse strategie zouden beter eerst de rangen sluiten met al wie voor dit Vlaams belang opkomt in plaats van hen in de rug te schieten. De eerstvolgende stap is de verklaring tot herziening van de Grondwet. Aangezien deze verklaring bij gewone meerderheid kan worden gestemd, kan geen enkel Vlaams volksvertegenwoordiger of senator zich verschuilen achter de drogreden van de noodzaak van een akkoord met de franstaligen. Zijn het niet die politici die het Vlaams separatisme bestrijden met het argument van de Vlaamse meerderheid die de eersten zijn om te weigeren deze meerderheid te gebruiken? Wij zullen hen op hun daden beoordelen. Het OVV herhaalt dan ook dat na de verkiezingen geen enkele Vlaamse partij mag toetreden tot een nieuwe federale regering, indien de franstaligen weigeren akkoord te gaan met de verdere overdracht van bevoegdheden naar de Vlaamse Gemeenschap, de splitsing van de sociale zekerheid en een volledige fiscale autonomie voor de deelstaten - zowel voor inning als besteding der fondsen - die beantwoordt aan hun bevoegdheden. Het OVV zal de kiezer vragen om er goed op te letten welke partijen zich daartoe verbinden. Namens het Overlegcentrum van Vlaamse verenigingen: Gent/Mechelen, 15 maart 1999. Prof. Matthias E. Storme en David Vits
|
Overlegcentrum van Vlaamse verenigingenThuispagina - Persmededelingen - Leden - Statuten - Historiek - Logo |